Design gaat over houding

22 dec 2011 Ed Annink Schoonheidsbeleving en comfort zijn niet alleen het gevolg van de assemblage van materiaal, maat, kleur en vorm. Het zijn ook de omstandigheden van de gebruiker en het moment die dat meebepaalt. Wat heb  je aan een asbak als je niet rookt? Wat moet je met een fiets als je been is gebroken? Hoe begrijp je een Nederlandse tekst als je die taal niet beheerst? Een gallus kiloknallus eet je niet als je biologische interesses, en een hart voor dieren, hebt. En je gaat niet te vroeg in het seizoen skiën op opgespoten kunstmatige sneeuw als je mom het milieu geeft. Getalenteerde vormgevers maken iets moois van ieder product voor iedereen en in samenwerking met strak georganiseerde fabrikanten en distributeurs kan het object ook betaalbaar zijn voor een internationale groep consumenten. De laatste 25 jaar zien we internationaal steeds meer ontwerpers die, los gezongen van de industrie, hun eigen richting bepalen. Ze beginnen als design entrepreneur een eigen label (in Nederland b.v. Piet Hein Eek) of maken bijzondere 'limited editions' (zoals Studio Job) tegen prijzen die alleen door  gefortuneerden betaald kunnen worden. Tegelijkertijd zijn er ontwerpers en architecten die het milieu en de samenleving als uitgangspunt nemen. Denk bijvoorbeeld aan Alfredo Brillembourg en Hubert Klumpner van Urban-Think Tank. De Duitse industrieel ontwerper Konstantin Grcic werkt samen met de industrie en maakt soms technologische en innovatieve hoogstandjes zoals zijn Myto Chair in samenwerking met BASF en de producent Plank. Marcel Wanders werd een popster in de design tijdschriften. Jurgen Bey onderzoekt de ruimte waarin we leven en gebruikt design als een tool (niet als een doel) en Joris Laarman zoekt de ruimte tussen wetenschap, ambacht en design. We praten als ontwerpers over cradle to cradle, over hergebruik, over minder maar beter en over ontwerpers als adviseur. De rollen in de samenwerking tussen ontwerper en fabrikant van idee naar omzet zijn in beweging. Het vak ontwerpen heeft daarom vele gezichten en een enorme variatie aan aandachts- en uitgangspunten. Het design onderwijs leunt met één been nog op de Bauhaus principes terwijl het andere been soms voluit op andere podia leunt. Een TU student heeft een managerial en technische focus terwijl studenten van bijvoorbeeld de Design Academy zich hebben toegelegd op het concept en de presentatie daarvan. Die diversiteit in het onderwijs leidt tot veel variatie in het aanbod. Leuk voor de keuzes en de individuele identiteit van de consument, minder aantrekkelijk voor de ons beschikbare grondstoffen.

Met deze achtergrond heb ik gekeken naar de selectie getalenteerde afstudeerders in deze items. Wat opvalt is dat bijna alle projecten object gericht zijn. Soms met nieuwsgierig experiment zoals de prachtige zeepfilms van Nicky Assmann, of met een idealistisch visioen zoals het project van Gardar Eyjolfson, die een constructief complex en waarschijnlijk een energieverslindende ijsbrug wil maken. Die brug is een plaatje in het landschap, dat weer wel. Het is inmiddels heel gewoon én belangrijk dat jonge ontwerpers afstuderen op basis van persoonlijke fascinaties. Het kan leiden tot projecten die soms onnavolgbaar in zichzelf gekeerd zijn maar dan wel elementen hebben die bij kunnen dragen aan een andere manier van denken over de betekenis van vormgeving. Het kast project van Mieke Keukelier is sympathiek en doet me denken aan experimenten van Joe Colombo, Mario Bellini, Ettore Sottsas en Matali Crasset. De koelkastdeur van Tijn Oosterbaan is een goed idee maar vraagt wel om discipline van de gebruiker. Ik weet niet of er een onderzoek is gedaan naar hoe vaak mensen thuis hun koelkastdeur opendoen, maar het lijkt me informatie die nodig is om een prognose te maken over de veronderstelde energiebesparing. Jette Borger's installatie van kledinghangers (met kleding) doet denken aan projecten van Bless zoals onlangs getoond in Arnhem tijdens de mode biënnale. De poëtische afbeeldingen van het werk van Alexander Spillopo doen direct denken aan de prachtige foto's van Karl Blossfeldt (1865-1932). De ontwerpers waar ik naar verwijs pasten met hun werk precies in hun tijd en leverden daardoor een bijdrage aan de ontwikkelingen daarna. Politieke, sociale en industriële omstandigheden waren vaak de driver voor innovatie, ook in design. Afgezien van de vondsten en individuele kwaliteiten van de afstudeerders en hun projecten van deze lichting vind ik het een gemis dat er weinig aandacht lijkt te zijn voor de huidige problemen zoals milieu, sociale ongelijkheid, gezondheid, veiligheid en diversiteit om er maar een paar te noemen. Ook zie ik te weinig discipline overstijgende samenwerking, althans ze worden niet beschreven in de begeleidende teksten. Misschien kan het design onderwijs meer samenwerking zoeken met andere opleidingen en onderzoeksinstituten, wetenschappen, filosofie, samenleving, milieu en muziek. Niet om méér te produceren, maar minder. Niet om vorm te geven maar om te adviseren. Niet om producten te distribueren maar om informatie beter te communiceren. Niet voor de productie maar voor het experiment. Niet om de hele wereld te moeten bedienen, maar de regio. Ontwerpers zijn vaak rationele karakters die uitstekend mee kunnen denken over nieuwe verdienmodellen voor nieuwe regionale industrie waarbij winst een andere betekenis krijgt dan uitsluitend economische winst. Kennis en creativiteit zijn nodig om adviezen en concepten te genereren die niet perse tot een object hoeven te leiden. Design ging gisteren over het object, vandaag over het idee en morgen over je houding.

gepubliceerd in Items, september 2011

You are here